Het gebruik van wetting agents in containerteelten wordt vaak genoemd als een mogelijke strategie om het vochthoudend vermogen van substraten te verbeteren. In een proef werd nagegaan of dergelijke producten het substraatvochtgehalte daadwerkelijk verhogen, zonder negatieve impact op de plantkwaliteit.
In deze proef lag de focus op twee containerteelten – Hydrangea paniculata ‘White Lady’ (1,5 l pot) en Stephanandra incisa ‘Crispa’ (2,5 l pot) – waarbij de irrigatie volledig gestuurd werd en droogtestress doelbewust werd geïnduceerd. De proef werd in een cabrioserre uitgevoerd zodat de watergift volledig kon gestuurd worden en er geen neerslag op deze planten terechtkwam. Er werd een standaard boomkwekerijsubstraat gebruikt met veen, houtvezel en schors. De studie maakte deel uit van het Jaarprogramma Duurzaamheid Sierteelt 2025, waarin water één van de centrale thema’s was.
 |
|
| Proefopstelling wetting agents 2025. |
|
Proefopzet
De proef liep van mei tot oktober 2025 in een serre met twee irrigatiestrategieën: een normaal regime en een regime met doelbewust opgewekte droogtestress. Bij droogtestress kregen de planten per gietbeurt dezelfde hoeveelheid water, maar werd er minder frequent gegoten. In beide gevallen werd het vochtgehalte opgevolgd met WET-sensoren en werden op het einde van het seizoen groeiparameters en bloei beoordeeld.
De verschillende wetting agents werden toegepast volgens de aanbevelingen van de producenten. Afhankelijk van het product gebeurde dit door het middel bij het inpotten in het substraat te mengen, of via aangieten toe te dienen. Producten die meerdere toepassingen vereisten, werden doorgaans maandelijks toegediend; één product werd om de twee maanden toegepast.
Bij Hydrangea paniculata werden 3 wetting agents getest. De proef met Stephanandra incisa was uitgebreider en omvatte 7 producten. Voor beide gewassen was er een controleobject zonder toepassing van wetting agents, zodat het effect op het vochthoudend vermogen van het substraat correct kon worden beoordeeld.
Irrigatie
De irrigatie gebeurde in 75 giften bij de planten met droogtestress en in 102 giften bij het normaal irrigatieregime. Dit resulteerde in een totale watergift gedurende de proef van respectievelijk 370 l/m² (droogtestress) en 511 l/m² (normale irrigatie).
Invloed van irrigatie groter dan productkeuze
Over beide teelten heen blek duidelijk dat het irrigatieregime en de duur van de droogteperiode de belangrijkste factoren zijn die het vochtgehalte in de pot bepaalden. Het proefveld met droogtestress gaf systematisch lagere vochtgehaltes dan het proefveld met normale irrigatie, wat bevestigt dat de toegepaste droogtestress effectief was. Kort na een watergift werden hoge vochtgehaltes gemeten, terwijl al na twee dagen droogte een sterke daling werd vastgesteld. Dit effect was systematisch groter dan de verschillen tussen de behandelingen met wetting agents (Figuur 1). Bij geen enkele wetting agent werden systematisch hogere vochtgehaltes gemeten dan de controle in deze proef.
Daarnaast werd in de proef een grote variatie vastgesteld binnen behandelingen en herhalingen. Dit wijst op een zekere heterogeniteit, waardoor kleine producteffecten moeilijk betrouwbaar aantoonbaar zijn.
 |
|
Figuur 1: Evolutie van het vochtgehalte gedurende het groeiseizoen bij Hydrangea met verschillende wetting agents (CON = controlebehandeling). De verticale lijnen geven het ogenblik aan waarop de wetting agents werden aangegoten.
|
Geen consistent effect bij Hydrangea
Tijdelijke verschillen na herhaalde toepassingen bij Hydrangea werden wel waargenomen, maar deze waren niet consistent doorheen de proefperiode en bleven beperkt.
Ook op vlak van plantengroei werd geen duidelijke relatie gevonden tussen vochtgehalte en groeiparameters. Over het algemeen werd de controle gekenmerkt door het meeste aantal bloemen en bloeiende planten, hogere planten en een hoog versgewicht. Bij de toegepaste behandelingen werd geen duidelijke verbetering in plantengroei ten opzichte van de controle geobserveerd. Statistisch gezien bleek de hoogte van de planten enkel afhankelijk te zijn van de irrigatie, niet van de behandelingen.
Beperkte en variabele effecten bij Stephanandra
Ook bij Stephanandra werd een gelijkaardig patroon vastgesteld. Het effect van het irrigatieregime op het vochtgehalte uitte zich duidelijk, met systematisch hogere waarden bij een normale watergift in vergelijking met de droogtestress, vooral bij langere droge periodes. Sommige producten zorgden onder normale irrigatie tijdelijk voor hogere vochtgehaltes, en op meerdere meetmomenten werden significante verschillen ten opzichte van de controle gemeten. Deze effecten waren echter niet consistent en werden sterk beïnvloed door de grote spreiding binnen de herhalingen (Figuur 2).
 |
|
Figuur 2: Evolutie van het vochtgehalte gedurende het groeiseizoen bij Stephanandra met verschillende wetting agents (CON = controlebehandeling). De verticale lijnen geven het ogenblik aan waarop de wetting agents werden aangegoten. Let op, de periodes tussen de meetmomenten op de x-as zijn niet gelijk. Producten met een streepjeslijn werden maar éénmalig toegepast bij het begin van de proef.
|
Onder droogtestress werden duidelijke verschillen in groei vastgesteld tussen de behandelingen. In het normale irrigatieregime traden geen noemenswaardige effecten op. Het versgewicht week slechts beperkt af van de controle. Onder droogtestress bleek één behandeling (AAS) het verlies aan biomassa gedeeltelijk te kunnen compenseren. De planten in deze behandeling bereikten een hogere eindbiomassa dan de controle (Figuur 3), wat aangeeft dat AAS de negatieve impact van beperkte waterbeschikbaarheid deels kon temperen. Dit effect ging echter niet gepaard met een duidelijk hoger gemeten vochtgehalte in het substraat. Dit wijst erop dat groei-effecten niet noodzakelijk rechtstreeks gelinkt zijn aan de gemeten vochtmetingen.
 |
Figuur 3: Effect van de behandelingen onder 2 irrigatiecondities op het versgewicht van de planten op het einde van het groeiseizoen bij Stephanandra (controle is in groen aangeduid).
|
|
| |
|
|
| |
Wat betekent dit voor de praktijk?
Op basis van deze proef kan niet aangetoond worden dat wetting agents het vochthoudend vermogen van substraten op een consistente en reproduceerbare manier verbeteren. Het vochtgehalte van de potten wordt meer gestuurd door irrigatie en droogtestress, terwijl het effect van de behandelingen ondergeschikt was. Ook werd geen duidelijke relatie gevonden tussen een hoger vochtgehalte en een betere plantengroei of kwaliteit.
De resultaten tonen dat een goed afgestemde watergift cruciaal blijft, en dat het gebruik van wetting agents onder deze omstandigheden geen garantie biedt op betere vochtverdeling of groei.
|
|
Toekomst
In 2026 voeren we een proef uit met Choisya, Spirea en Caryopteris om het effect van 5 wetting agents te beoordelen onder zowel droge als natte omstandigheden. Daarbij onderzoeken we in het bijzonder of deze middelen in natte omstandigheden nadelige effecten veroorzaken bij gewassen die gevoelig zijn voor te veel vocht. Deze proef loop tot oktober 2026, waardoor er momenteel nog geen resultaten beschikbaar zijn.
 |
|
| Proefopstelling wetting agents 2026. |
|
Meer info
Marijke Dierickx
Ilse Delcour
Dit artikel kadert in het 'Jaarprogramma Duurzaamheid Sierteelt'.
