Categories
Close
Menu
Menu
Close
Zoeken...
Search

Efficiënte vergroening na ontharding

Efficiënte vergroening na ontharding
Print

Op een oud fabrieksterrein in Gent werd een onthardingsexperiment opgezet om te onderzoeken hoe bloemrijke vegetatie zich ontwikkelt als er bij het ontharden verschillende types puin in de bodem achterblijven.

Om de leefbaarheid van onze steden en gemeenten te verhogen en lokale waterinfiltratie te bevorderen, wordt de laatste jaren volop ingezet op het verwijderen van overbodige verharding. De aanwezige bodem, die dan na meestal tientallen jaren afdekking vrij komt te liggen, is vaak niet meteen geschikt om bomen, struiken en vaste planten in aan te planten. In de praktijk wordt dit momenteel opgelost door teelaarde aan te voeren. Die is wel geschikt als plantsubstraat, maar vaak zijn de eigenschappen sterk verschillend van de locatie zelf. Bovendien houdt grondverzet risico’s in voor verspreiding van invasieve exoten.

 

Puinbodems bieden kansen

Puinbodems bieden ook kansen voor de ontwikkeling van soortenrijke, bloemrijke vegetatie. Op verschillende verlaten terreinen in stedelijke omgeving werd reeds spontane ontwikkeling van kalkrijke graslanden waargenomen, gelinkt aan de arme, droge en kalkrijke bodemomstandigheden. Deze omstandigheden staan in contrast met de vaak rijkere teelaarde, die de ontwikkeling van soortenrijke vegetatie bemoeilijkt omdat competitieve onkruiden zoals ridderzuring, brandnetel en grassen bevoordeeld worden.

 

Praktijkonderzoek in Gent

Op een oud fabrieksterrein aan de Ham in Gent werd in samenwerking met Stad Gent, het Gents Milieufront, Breekijzer en Universiteit Gent een onthardingsexperiment opgezet. De onderzoeksvraag is hoe bloemrijke vegetatie zich ontwikkelt als er bij het ontharden verschillende types puin in de bodem achterblijven. In totaal zal in de omgeving ongeveer 1,1 hectare verharding verwijderd en vergroend worden, waarmee het experiment een praktijkvoorbeeld wil zijn voor toekomstige onthardingsprojecten in stedelijk gebied.

 

Het experiment

Voorafgaand aan de aanleg werden tien boringen uitgevoerd tot een diepte van drie meter. Daaruit bleek dat de ondergrond van de site als volgt is opgebouwd: klinkerverharding (0-5 cm), gevolgd door gestabiliseerd zand (5-24 cm), een steenslagfundering en daaronder puinsubstraat.

 

Om de onderzoeksvraag te beantwoorden, worden binnen het experiment drie factoren onderzocht.

  1. Uitgangssituatie van de bodem
    1. onderfundering behouden
    2. onderfundering verwijderen
    3. onderfundering mengen met de bovenste zandlaag
  2. Bodemverbetering
    1. geen compost
    2. toevoegen van 2 tot 3 cm compost
  3. Translocatiemethode
    1. Inzaaien met een kruidenmengsel (o.a. klavers, wilde peen, boerenwormkruid,...), waarin ook een snelbegroeningscomponent aan 5 kg/ha werd opgenomen met o.a. boekweit, goudsbloem, Phacelia en bladrammenas. Deze soorten hebben als doel om snellere bodembedekking te geven, en ook de bodemkwaliteit te verbeteren via doorworteling en als groenbemester.
    2. Aanplant met twee verschillende assortimenten droogtetolerante planten (o.a. Symphytum grandiflorum, Calamintha nepeta, Artemisia absinthium, Thymus serpyllum, Rosmarinus officinalis, Nepeta faassenii,...).

Op de site werden in mei 2025 36 proefvakken van telkens 4 m² aangelegd, waarin de 12 variaties in bodemopbouw, bodemverbetering en translocatiemethode worden getest. Deze worden gedurende de eerste groeiseizoenen opgevolgd via vegetatieopnames.

 

     
 

Eerste resultaten

Uit de eerste resultaten blijkt vooral het positieve effect van toegevoegde compost heel zichtbaar voor de beplanting. Die heeft hierdoor iets meer voedingsstoffen en een buffer tegen droogte. Bij zowel het aangeplante assortiment 1 als assortiment 2 behalen de proefvakken met compost consequent hogere bedekkingswaarden dan dezelfde bodemtypes zonder compost. Vooral in de vakken waar de fundering werd verwijderd of gemengd én compost werd toegevoegd, werd in het najaar een bedekking van 80 tot 90% bereikt. De aangeplante proefvakken ontwikkelden zich bovendien sneller dan de ingezaaide vakken. De ingezaaide vakken hebben meer tijd nodig om dicht te groeien en vertoonden vooral zonder compost een tragere ontwikkeling.

 
     

 

Van experiment naar toepassing

Het onthardingsexperiment in Ham maakt duidelijk dat succesvolle vergroening niet alleen afhangt van het verwijderen van verharding, maar vooral van de manier waarop met de onderliggende bodem en bodemverbetering wordt omgegaan. In het kader van het Horizon-project Regreeneration zal een gelijkaardige proef aangelegd worden op de FNO-site in Gent. Toekomstige proeven zullen ook verder de toepassing van pioniersoorten onderzoeken om de bodemkwaliteit na ontharding te verbeteren.

 

Meer info

Eva Reybrouck
Sandy Adriaenssens

Vorig Artikel Nieuwe sierteelterkenningen
Volgend Artikel Vlaanderen investeert in Fieldlab Groen

Comments are only visible to subscribers.