Categories
Close
Menu
Menu
Close
Zoeken...
Search

Duurzame sierteelt in de kijker: BCO’s als sleutel voor een duurzame gewasbescherming

Duurzame sierteelt in de kijker: BCO’s als sleutel voor een duurzame gewasbescherming
Print

In het Jaarprogramma Duurzaamheid Sierteelt willen we siertelers helpen in de transitie naar een meer duurzame bedrijfsvoering. De huidige thema’s zijn biologische controle organismen (BCO’s), organische bemesting en slimme technologieën. Deze maand gaan we dieper in op Biologische Controle Organismen.

 

De groene revolutie onder glas: kansen en uitdagingen voor BCO’s in de sierteelt

De sierteeltsector bevindt zich in een periode van ingrijpende veranderingen. De maatschappelijke vraag naar duurzaam gekweekte bloemen en planten groeit, terwijl het chemische middelenpakket door strenge wet- en regelgeving in sneltreinvaart krimpt. Om te overleven en te verduurzamen, verschuift de focus van chemische bestrijding naar Integrated Pest Management (IPM). Binnen deze geïntegreerde aanpak spelen Biologische Controle Organismen (BCO’s) – of natuurlijke vijanden zoals roofmijten, sluipwespen en aaltjes, maar ook biologische middelen op basis van nuttige schimmels en bacteriën – een hoofdrol.

Het succesvol inzetten van BCO's in de sierteelt is echter topsport. Sierteeltproducten moeten immers nagenoeg voldoen aan een nul-tolerantie voor cosmetische schade. In deze nieuwsbrief leggen we de focus op de macro-organismen, ook wel biologische bestrijders genoemd. Hoe staat de biologische aanpak er momenteel voor, waar liggen de knelpunten en hoe combineren we chemie en biologie tot één krachtig systeem?

De gaasvlieg Micromus angulatus is een predator van bladluizen. Zowel de larven als de adulten gaan actief op zoek naar bladluizen en eten ze op.

Een zweefvlieg op een bloem in een bloemenrand. Bloemenranden ondersteunen de populatieopbouw van nuttige bestrijders die van nature voorkomen.

Roofmijten zijn biologische bestrijders die actief op zoek gaan naar hun prooi, hem vastgrijpen en leegzuigen.

 

Waar biologische bestrijders al excelleren: de succesverhalen

In veel sierteeltgewassen, van rozen en gerbera's tot potplanten, zijn BCO’s inmiddels de standaard. Tegen een aantal hardnekkige plagen is de biologische aanpak door jarenlang onderzoek uiterst effectief gebleken.

  • Spintmijt: De roofmijt Phytoseiulus persimilis is al decennia de schrik van de kasspintmijt. Deze actieve jager ruimt haarden sneller op dan menig chemisch middel. Voor preventieve inzet worden Neoseiulus californicus roofmijten gebruikt, al dan niet in combinatie met bijvoeder of als kweekzakje, om zo een stabiele populatie op te bouwen, ook bij een beperkte aanwezigheid van spintmijten.
  • Witte vlieg: In teelten zoals gerbera, rozen en kerststerren doen de sluipwespen Encarsia formosa en Eretmocerus eremicus uitstekend werk door de poppen van de witte vlieg te parasiteren of in beperkte mate leeg te zuigen. Roofmijten zoals Amblyseius swirskii, Transeius montdorensis en Amblydromalus limonicus voeden zich met de eitjes en larven van witte vlieg.

 

De hardnekkige uitdagingen: waar wringt de schoen?

Hoewel de successen groot zijn, kent de biologie ook haar grenzen. Sierteeltgewassen kennen vaak een kortere teeltcyclus dan groenten, waardoor een biologisch evenwicht moeilijker op te bouwen is. Bovendien zijn er plagen waarvoor de biologische gereedschapskist nog onvoldoende gevuld is:

  • Trips: Naast de klassieke Californische trips en echinotrips nemen we steeds meer nieuwe tripssoorten waar (o.a. pepertrips, heliotrips, Japanse bloementrips, rozentrips,…) zowel in kasteelten als open lucht. Deze tripssoorten kunnen visueel in de teelt niet van elkaar onderscheiden worden. Ze hebben bovendien vaak een andere levenswijze, waardoor ze enerzijds te laat waargenomen worden met klassieke scoutingsmethoden en anderzijds blijken de momenteel toegepaste beheersingsstrategieën met biologische bestrijders zoals roofmijten of roofwantsen en/of integreerbare chemische middelen onvoldoende efficiënt.
  • Bladluizen: Bladluizen planten zich door middel van parthenogenese (ongeslachtelijke voortplanting) en levendbarendheid explosief snel voort. Hierdoor groeit hun populatie vaak sneller dan dat natuurlijke vijanden een effectieve populatiedichtheid kunnen opbouwen. Daarnaast spelen de hoge specificiteit en diversiteit een rol: er zijn tientallen verschillende soorten bladluis, terwijl veel sluipwespen (zoals Aphidius-soorten) zéér gastheerspecifiek zijn. Een mismatch tussen de sluipwesp en de aanwezige bladluissoort resulteert in een effectiviteit van nul. Breedspectrum-predatoren bieden hiertegen een buffer. Galmuggen, zoals Aphidoletes aphidimyza, en bruine gaasvliegen, zoals Micromus angulatus, zijn mobiele predatoren die actief op zoek gaan naar diverse bladluiskolonies en deze effectief kunnen onderdrukken.
  • Wantsen: Wantsen veroorzaken misvormingen in bloemen die direct leiden tot kwaliteitsverlies. Effectieve biologische bestrijders voor buitenteelten of specifieke kasomstandigheden staan hier nog in de kinderschoenen.
  • Wol-, dop- en schildluizen: Plagen die zich verschuilen onder harde schilden of wollige afscheidingen zijn mechanisch goed beschermd, waardoor nuttige bestrijders er moeizaam grip op krijgen.

 

Chemische correcties binnen IPM: een delicaat huwelijk

Duurzaam telen betekent anno 2026 niet per definitie 'vrij van chemie'. Binnen een duurzaam IPM-systeem is chemie de ‘reserve’: de chemische correctie. Als een plaag de overhand dreigt te nemen en nuttigen het niet meer bolwerken, moet er gecorrigeerd worden. Dit mag echter nooit ten koste gaan van de opgebouwde populatie biologische bestrijders.

De sleutel tot succes is de neveneffectenwijzer. Kwekers maken gebruik van databases (zoals die van Biobest, Koppert of IPM Impact) om te controleren welke chemische middelen 'veilig' of 'selectief' zijn voor hun specifieke nuttige bestrijder(s). Ook op de jaarlijkse posters van Viaverda kan je deze informatie terugvinden.

Gouden regel binnen IPM: Gebruik bij voorkeur 'zachte', biologische of laag-risico middelen (zoals extracten, oliën of specifieke gewasbeschermingsmiddelen) die alleen de plaag raken en de biologische bestrijders sparen. Breedspectrummiddelen (zoals pyrethroïden) zijn uit den boze, omdat zij de biologische balans maandenlang kunnen verstoren.

 

Praktische toepassingen voor de praktijk

Hoe vertaalt dit zich naar de werkvloer? Drie praktische strategieën die het verschil maken:

  1. Preventieve introductie, bijvoederen en bloemenranden: Wacht niet tot de plaag er is. Introduceer roofmijten vroeg in de teelt. Omdat er dan nog geen plaag is om te eten, gebruikt men bijvoeders (zoals voermijten of pollen). Hierdoor groeit er al een populatie van roofmijten op de plant, voordat de trips of spint binnenkomt. In openluchtteelten bieden bloemenranden hierin een cruciale meerwaarde. Ze fungeren als een natuurlijk hotel en een rijke voedingsbron van pollen en nectar, waarmee ze de populatieopbouw van natuurlijk aanwezige nuttige bestrijders – zoals zweefvliegen, roofwantsen en lieveheersbeestjes – effectief ondersteunen. Door deze natuurlijke vijanden vroegtijdig aan te trekken en te voeden, creëer je buiten de serre een belangrijke buffer die de plaagdruk op het gewas continu onder controle houdt.
  2. Lokplanten en bankerplanten: Zet specifiek gekozen planten in de serre die aantrekkelijker zijn voor de plaag (lokplanten) of juist een stabiele populatie van de biologische vijand herbergen (bankerplanten). Klassieke voorbeelden hiervan zijn het planten van graan met graanluizen ter ondersteuning van sluipwespen. Deze specifieke luizen vormen geen gevaar voor de sierteelt, maar dienen als een cruciale voedselbron en gastheer voor de sluipwespen. Hoewel volwassen sluipwespen de luizen niet direct zelf opeten, gebruiken ze de graanluizen om hun eitjes in te leggen. Op die manier vergroten ze hun populatie en staan ze altijd paraat om eventuele plagen in het gewas te bestrijden. Een andere belangrijke methode is het zaaien van Lobularia om roofwantsen te ondersteunen in hun populatieopbouw.
  3. Pleksgewijze correctie: Signaleer haarden vroegtijdig door intensief te scouten (al dan niet met behulp van AI-camera's of vangplaten). Spuit bij een uitbraak niet de hele serre, maar corrigeer alleen de specifieke 'hotspot' met een selectief chemisch middel. Zo blijft de biologie in de rest van de teelt intact.

 

     
 

Conclusie

De sierteelt kan niet meer zonder BCO's. Hoewel hardnekkige plagen zoals bladluis en trips de sector blijven uitdagen, bewijst de praktijk dat een slimme combinatie van preventie, biologische bestrijders en uiterst selectieve chemische correcties de weg vooruit is. Door te sturen op biodiversiteit ín de serre, beschermen telers niet alleen hun rendement, maar bouwen ze direct mee aan een toekomstbestendige en groene sierteeltsector.

 

 

Vragen? We geven graag advies!

In het kader van het Jaarprogramma Duurzaamheid Sierteelt bundelt Viaverda haar expertise rond BCO's, organische bemesting en slimme sensoren zoals drones. Telers kunnen altijd bij ons aankloppen met al hun vragen.

 

Meer info

 

Dit artikel kadert in het Jaarprogramma Duurzaamheid Sierteelt met steun van het Agentschap Landbouw en Zeevisserij.

 

Vorig Artikel Irrigeren met zoutrijk water: kansen én uitdagingen
Volgend Artikel Witziekte en Botrytis bestrijden met uv-C-licht?

Comments are only visible to subscribers.