Extra belichting is tijdens de wintermaanden onmisbaar voor een optimale plantontwikkeling, maar gaat gepaard met extra energiekosten. De overstap van SON-T lampen naar ledlampen levert al een aanzienlijke energiebesparing op. Daarnaast bieden ledlampen extra mogelijkheden om het energiegebruik verder te beperken, bijvoorbeeld door ze te dimmen of pulserend aan te sturen.
Lichtstrategieën geïnspireerd door de natuur
Binnen het VLAIO LA-traject ‘ie-LICHT: innovatieve en energiebesparende lichtstrategieën voor de glastuinbouw’ worden twee innovatieve lichtstrategieën getest, gebaseerd op natuurlijke fenomenen. De eerste strategie is het nabootsen van zonsopgang en -ondergang, waarbij de lichtintensiteit gradueel toe- of afneemt. Dit kan met dimbare ledlampen ingesteld worden, zodat er ook een periode van schemerlicht ontstaat. In de proeven werd 30, 60 en 90 minuten schemerlicht toegepast zoals in Figuur 1.
De tweede strategie is gebaseerd op het natuurlijk fenomeen van schaduwvlekken op bladeren door beweging of bewolking. Dit bootsen we na door het licht te pulseren, waarbij een periode van een aantal seconden licht (19, 9 of 8) gevolgd wordt door 1 of 2 seconden donker (Figuur 2). Bij beide strategieën ontvangt de plant minder licht (Tabel 1). In tegenstelling tot wat men zou verwachten bij een lagere lichtsom, leidde dit niet tot een verminderde plantkwaliteit in eerste proeven aan de KU Leuven met Arabidopsis, sla, aardbei en tomaat. Om na te gaan of dit ook voor sierteeltgewassen geldt, werd dit uitgetest tijdens de bewortelingsfase van drie perkplanten met relatief lage lichtbehoefte en tijdens de teelt van potroosjes met een hoge lichtbehoefte.
Schemerlicht
Drie perkplanten (Bacopa, Petunia en Verbena) werden na het stekken beworteld onder verschillende belichtingsregimes. Als controle werd 12 uur belicht aan 75 µmol/m².s, met onmiddellijk in- en uitschakelen van de lampen. Potroosjes ('Alaska' en 'Elysium') werden na de eerste topbeurt onder verschillende belichtingsregimes verder geteeld tot bloei, met als controle 16 uur belichting aan 120 µmol/m².s. Alle proeven vonden plaats in een daglichtloos systeem, zodat zonlicht geen invloed had.
Het verschil in dagelijkse lichtsom tussen de controle en de schemerlichtbehandelingen was kleiner bij de potroosjes dan bij de perkplanten. Potroosjes hebben een hogere lichtbehoefte, waardoor ook de potentiële energiebesparing lager was (Tabel 1).
 |
| Figuur 1: Verloop van de lichtintensiteit voor 1 dag waarbij het licht bij 30, 60 en 90 minuten schemerlicht langzaam wordt op- en afgebouwd. |
 |
| Figuur 2: Verloop van de lichtintensiteit voor 1 minuut, waarbij een aantal seconden licht (19L, 9L of 8L) worden afgewisseld met 1 of 2 seconden donker (D), terwijl de controle continu blijft branden. |
Bij de perkplanten had schemerlicht geen invloed op de beworteling, stekhoogte of drogestofproductie (Figuur 3). Na de bewortelingsfase werden de planten verder opgevolgd in een onbelichte serre, omdat de lichtsom tijdens de opkweek de latere ontwikkeling kan beïnvloeden. Daarbij bleek dat Petunia en Verbena iets sneller tot bloei kwamen wanneer tijdens de bewortelingsfase 30 minuten schemerlicht werd toegepast. Door de zonnige omstandigheden in maart vorig jaar bleef dit effect echter zeer beperkt.
Ook bij de potroosjes verliep de bloei iets sneller onder schemerlicht en werden meer bloemknoppen gevormd. Dit effect was cultivarafhankelijk: bij ‘Alaska’ werd geen significant verschil vastgesteld, terwijl ‘Elysium’ wel meer bloemknoppen vormde bij 60 minuten schemerlicht (Figuur 4).
 |
|
| Figuur 3: Geen significante verschillen tijdens de bewortelingsfase bij perkplanten (bovenaan: Bacopa, midden: Petunia, onderaan: Verbena) beworteld onder verschillende schemerlichtstrategieën. |
|
 |
| Figuur 4: Gemiddeld (±SE) aantal bloemknoppen voor de potroosjes 'Alaska' en 'Elysium' opgegroeid onder verschillende schemerlichtstrategieën. Verschillende letters duiden op statistisch significante verschillen. |
Traag pulserend licht
Dezelfde gewassen werden ook getest onder traag pulserend licht, met identieke controlebelichting als bij het schemerlicht. De verschillende behandelingen zorgden voor 5%, 10% of 20% minder licht, zowel bij de perkplanten als de potroosjes (Tabel 1). De effectieve energiebesparing in een commercieel systeem moet hier nog bepaald worden.
De pulserende regimes 19L/1D en 9L/1D leverden een plantkwaliteit op die vergelijkbaar was met de controle. Het regime 8L/2D had daarentegen een negatieve impact. Bij perkplanten verliep de beworteling van Verbena trager en werd bij Bacopa en Verbena minder biomassa gevormd. Tijdens verdere teelt in de onbelichte serre werden echter geen duidelijke verschillen meer waargenomen.
Bij de potroosjes was opnieuw een cultivarafhankelijk effect zichtbaar. Bij ‘Alaska’ verliep de bloei iets trager onder 8L/2D, terwijl ‘Elysium’ geen verschil vertoonde. Beide cultivars vormden onder dit regime wel minder bloemknoppen dan de controle (Figuur 5).
 |
| Figuur 5: Gemiddeld (±SE) aantal bloemknoppen voor de potroosjes 'Alaska' en 'Elysium' opgegroeid onder verschillende pulserende lichtstrategieën. Verschillende letters duiden op statistisch significante verschillen. |
| |
|
|
| |
Conclusie
Voor zowel de perkplanten als de potroosjes zorgde een lagere lichtsom door schemerlicht niet voor een negatieve impact op plantkwaliteit. Afhankelijk van de lichtbehoefte van de plant kan op deze manier 9,2% (potroosjes) of 11,9% (perkplanten) energie bespaard worden. Via de pulserende strategie kon tot 10% minder licht gegeven worden zonder kwaliteitsverlies. De praktische implementatie van het pulserend licht in een bedrijf zal iets complexer zijn. Hiervoor wordt in overleg gegaan met de fabrikanten van ledverlichting.
|
|
| |
|
|
Meer info
Annelies Christiaens
Dit artikel kadert in het project 'ie-LICHT: innovatieve en energiebesparende lichtstrategieën voor de glastuinbouw'.
