Categories
Close
Menu
Menu
Close
Zoeken...
Search

Sierplanten met functionele meerwaarde voor voeding en ecosysteem

Sierplanten met functionele meerwaarde voor voeding en ecosysteem
Print

Sierplanten kunnen een waardevolle bijdrage leveren aan het behoud van biodiversiteit. Binnen het project SIER+ wordt onder meer gekeken welke plantkenmerken belangrijk zijn voor het aantrekken van bestuivers.

 

Sierplanten en biodiversiteit

Het belang van biodiversiteit en lokale voedselproductiesystemen is de laatste jaren enorm toegenomen door de klimaatverandering. Maar de biodiversiteit staat wereldwijd onder grote druk. Zowel het aantal als de diversiteit van de verschillende soorten bestuivers is de laatste jaren sterk afgenomen. Dit biodiversiteitsverlies verstoort ecosystemen en vermindert hun vermogen om belangrijke ecosysteemdiensten te leveren, zoals bestuiving, waterzuivering en klimaatregulatie. In deze context kunnen sierplanten een waardevolle bijdrage leveren aan het behoud van biodiversiteit. Hierdoor stijgt de vraag naar sierplanten met een extra functionele waarde, zoals stuifmeel- en/of nectarproductie en met voedingspotentieel, zoals eetbare vruchten.

Cultivars van sierplanten worden vaak geselecteerd omwille van hun grotere bloemen, opvallende bloemkleur, meer kroonbladeren, geur, bloeiduur,… Maar wetenschappelijk onderzoek naar de aantrekkingskracht van deze cultivars op bestuivers is nog schaars. Binnen het project ‘SIER+: sierplanten met functionele meerwaarde voor voeding en ecosysteem’ wordt onder meer gekeken welke plantkenmerken belangrijk zijn voor het aantrekken van bestuivers. Hiervoor worden Rosa, Buddleja en Philadelphus als casestudies gebruikt.

Rosa. Buddleja. Philadelphus.

 

  • Onderzochte cultivars van Rosa: ‘Mel Bee’, ‘Jacky’s Favorite’, ‘Jean Stéphenne’, ‘Mellite Mella’, ‘Escimo’, R. rugosa, ‘Frau Dagmar Hastrup’, ‘Street Dance’, ‘Amulet Mella’.
  • Onderzochte cultivars van Buddleja: ‘Flower Power’, ‘Lochinch’, ‘Funky Fuchsia’, ‘Black Knight’, ‘Free Petite Blue Heaven’, ‘Empire Blue’, ‘Nanho Blue’, ‘Blue Chip’, ‘Butterfly Candy Little Ruby’, ‘Butterfly Candy Little Pink’, ‘Pink Delight’, ‘White Profusion’, ‘White Ball’, ‘Sungold’, B. lindleyana, ‘Argus Velvet’, ‘Argus White’, ‘Argentea’.
  • Onderzochte cultivars van Philadelphus: ‘Pearls Of Perfume’, ‘Manteau d’Hermine’, ‘Lemoinei’, ‘Silberregen’, ‘Kostelec WB’, ‘Miniature Snowflake’, ‘Belle Etoile’, ‘Rose Syringa’, ‘Mont Blanc’, ‘Aureus’, ‘Natchez’, ‘Petite Perfume Pink’, ‘Snowbelle’, P. coronarius, P. mexicanus.

 

Monitoring van bestuivers

Om de aantrekkelijkheid van elke cultivar naar bestuivers toe op te volgen, werd gebruikgemaakt van de snapshotmethode. Elke cultivar werd in vier herhalingen aangeplant en per herhaling werd vijf minuten lang gekeken en genoteerd welke bestuivers een bloembezoek uitvoerden, zodanig dat elke cultivar 20 minuten gemonitord werd per monitoringsdag. Tijdens de monitoring werden verschillende functionele groepen onderscheiden: hommel, honingbij, solitaire bij, zweefvlieg, wesp, vlinder, vlieg en andere. Vanuit deze data wordt er een link gezocht met de plantkenmerken.

Enerzijds werden de sierkenmerken onder de loep genomen, zoals aantal bloemblaadjes en aantal meeldraden per bloem, bloemkleur, bloeiduur, aantal bloemen per plant,… Daarnaast werd ook gekeken naar de nectar- en stuifmeelproductie. Rosa fungeert hier als stuifmeelleverancier, terwijl Buddleja vooral omwille van zijn nectar bezocht wordt. In Philadelphus zijn beide voedselbronnen aanwezig. Voor het stuifmeel wordt gekeken naar het aantal pollenkorrels en het eiwitgehalte, terwijl bij nectar de geproduceerde hoeveelheid per bloem en het suikergehalte belangrijke factoren zijn die opgevolgd werden.

 

Inzichten na eerste monitoringsjaar

Bij zowel Rosa als Buddleja werden heel wat bestuivers gemonitord over het monitoringsseizoen. De Philadelphus planten waren het eerste monitoringsjaar iets te klein en hadden onvoldoende bloei om correcte metingen op uit te voeren. Deze worden vanaf het komende monitoringsjaar opgevolgd.

Bij Rosa waren vooral zweefvliegen aanwezig, maar ook hommels en solitaire bijen kwamen vaak voor (Figuur 1). Hierbij viel ook op dat hommels een voorkeur hadden voor cultivars met open bloemen, terwijl de kleinere solitaire bijen en zweefvliegen hier minder kieskeuring in waren. Ook bij Buddleja waren de zweefvliegen het meest prominent aanwezig. Daarnaast kwamen hommels en vlinders vaak voor (Figuur 2).

Opmerkelijk was dat hommels bij beide soorten aangetrokken werden tot de geelkleurige cultivars en vliegen eerder de witte cultivars bezochten. Daarnaast werd bij Buddleja ook gezien dat er minder bestuiverbezoeken plaatsvonden op de cultivars met langere bloembuizen. Mogelijks wil dit zeggen dat bloembuislengte misschien wel een belangrijke parameter zou kunnen zijn. Deze parameter zal in het komende monitoringsjaar mee onder de loep genomen worden. De cultivars met langere bloembuizen produceerden wel meer nectar dan de andere cultivars. Het suikergehalte van de nectar schommelde bij alle cultivars tussen 20 en 40%.  

Figuur 1: Monitoring bij Rosa. Figuur 2: Monitoring bij Buddleja.

Bloeirijkheid, de totale hoeveelheid bloemen per plant, blijkt op het eerste zicht een belangrijke parameter voor insectaantrekkelijkheid. Extra onderzoek is echter nodig om concrete conclusies te trekken, maar het eerste monitoringsjaar bood alvast enkele eerste inzichten. Eén boodschap is alvast duidelijk, veredelde sierheesters zijn waardevol voor bestuivers.

 

Meer info

Femke De Neef

 

Dit artikel kadert in het project 'Sier+:sierplanten met functionele meerwaarde voor voeding en ecosysteem’.

 

Vorig Artikel Hoe zit het met functionele agrobiodiversiteit in biologische tunnelteelten?

Comments are only visible to subscribers.