Categories
Close
Menu
Menu
Close
Zoeken...
Search

Eindresultaten demonstratieproject rond organische koolstof in boomkwekerijbodems

Eindresultaten demonstratieproject rond organische koolstof in boomkwekerijbodems
Print

Samen met de Bodemkundige Dienst van België werd het demonstratieproject ‘OSBOBO: Organische Stof in BOomkwekerijBOdems’ uitgevoerd. Aan de hand van demopercelen werden verschillende koolstofopbouwende technieken opgevolgd. In dit artikel vatten we de belangrijkste conclusies samen over teelttechnieken die het organische koolstofgehalte in boomkwekerijbodems kunnen verhogen.

Organische stof is een onmisbare motor voor een productieve en duurzame teelt. Maar hoe verbeter je dit in boomkwekerijbodems, waarbij organische stoftoevoegingen slechts net voor een nieuwe aanplant kunnen worden toegepast? In deze meerjarige teeltsystemen wordt bij het rooien telkens de volledige plant weggehaald, inclusief het wortelgestel. Hierdoor blijft er weinig organisch materiaal achter om de bodem te voeden. Bovendien wordt er vaak in minder ideale omstandigheden op het veld gereden, wat de bodemkwaliteit niet ten goede komt. Grote uitdagingen dus om stappen te zetten in de richting van koolstofopbouw.

 

Jaarlijkse spreiding van compost op de rij onder laanbomen

Bij een boomkwekerij in Dentergem werkt men laanbomen met rijenafstanden van 3 m met daartussen 2 m brede grasstroken. De lichte leembodem bevat slechts 0,7% aan totale organische koolstof (TOC). In jaar 1 werd 20 ton/ha compost, 25 ton/ha stalmest en 2,5 ton/ha bedrijfseigen houtsnippers opgevoerd onder een bomenrij van eenjarige tamme kastanjes. Het controle-object kreeg ook 25 ton/ha stalmest. In jaar 2 werd opnieuw 20 ton/ha compost toegepast op dezelfde bomenrij. Door de mechanische onkruidbestrijding werd de zwartstrook onkruidvrij gehouden en werden de materialen oppervlakkig ingewerkt in de bodem.

De opgevolgde diametergroei toont duidelijke verschillen: bomen met composttoepassing namen in 2025 gemiddeld 30% in diameter toe, tegenover slechts 2% bij de controle. De extra groei is waarschijnlijk te danken aan nutriëntennalevering van de compost en/of meer vocht in de bodem. Dit kon in een droog jaar zoals 2025 een positief verschil maken.

Boomkwekerij in Dentergem met 3 m brede rijenafstanden en 2 m brede grasstroken bij tamme kastanjes. Op de zwartstrook wordt jaarlijks compost aangebracht.

Tussenzaai van gras en afdekmaterialen op de rij bij sierheesters

Op een boomkwekerij in Wetteren werd Prunus laurocerasus ‘Rotundifolia’ gedurende twee groeiseizoenen opgevolgd. De planten werden aan twee planten/m aangeplant op 80 cm rijafstand. De zwartstrook van 30 cm werd bedekt met afdekmaterialen (5-10 cm dikte): zaagsel, groencompost of houtsnippers. Behalve bij de controle rij werd tussen de rijen traag groeiend Engels raaigras ingezaaid dat gemulcht werd. De tussenzaai had als doel het nutriëntenoverschot in het eerste groeiseizoen op te vangen, wanneer het wortelgestel van de sierheesters nog beperkt ontwikkeld is. Door het gras te maaien en op de rij te laten liggen, worden deze nutriënten later geleidelijk opnieuw vrijgesteld.

Al in het eerste groeiseizoen bleek het gras sterk te concurreren met de Prunus. De planten met tussenzaai groeiden gemiddeld 20% minder dan de controle. Planten met tussenzaai en afdekmaterialen groeiden zelfs 33% minder (zie figuur 1, 2024). Nitraatstalen bevestigden sterke opname door het gras en bodemvochtmetingen op -15 cm diepte toonden dat het gras het beschikbare vocht van het gewas wegtrok.

In het tweede groeiseizoen groeide het gras sterk door en bedekte het ook grotendeels de deels verteerde afdekmateriaallagen. Hierdoor werd het groeiverschil tussen tussenzaai met en zonder afdekmaterialen tenietgedaan (zie figuur 1, 2025). Om de groeireductie en bleke kleur recht te trekken werden een organische bemesting en verschillende bladbemestingen toegepast. Dit bleek niet genoeg om het lengteverschil weg te werken. Afdekmaterialen boden hierin weinig voordeel en konden in droge omstandigheden zelfs nadelig werken doordat ze het weinige vocht opslorpten.

Door de sterke competitie tussen gras en gewas besluiten we dat de tussenzaai met gras bij een korte rijafstand en hoge plantdichtheid niet geschikt is om koolstofopbouw en behoud van plantkwaliteit te combineren. Verder onderzoek is nodig naar een gerichte bijbemesting of alternatieve tussenzaaitypes of -tijdstippen.

Figuur 1: Gemiddelde lengte van Prunus laurocerasus ‘Rotundifolia’ na één jaar groei (2024) en twee jaar groei (2025) met gebruik van drie soorten afdekmaterialen op de rij (zaagsel, houtsnippers of groencompost), gecombineerd met de tussenzaai van Lolium perenne en twee controle objecten: een met en een zonder tussenzaai van L. perenne. Objecten die dezelfde letter delen verschillen niet significant van elkaar (p ≤ 0,05).

Groencompost en materialen met een hoge C:N-verhouding op lange termijn

De toepassing van materialen met een hoge koolstof-stikstofverhouding (C:N), zoals houtsnippers en de grove fractie (15-40 mm) van groencompost, verhogen de bodemkoolstof zonder overmatige aanvoer van nutriënten. Aangezien koolstofopbouw echter vooral op lange termijn meetbaar is, werd de evolutie van TOC in drie langetermijnproeven doorheen de jaren gemonitord.

Bij een boomkwekerij in Zele werd jaarlijks 10 ton/ha groencompost gespreid onder diverse soorten laanbomen (2019–2023). In de 0-30 cm laag steeg het TOC‑gehalte geleidelijk, ondanks grote schommelingen doorheen de jaren (zie figuur 2). In de bovenste 10 cm was de stijging ongeveer 0,5% hoger ten opzichte van de 30 cm laag. Dit komt doordat de compost niet werd ingewerkt maar bovenop de bodem werd gestrooid.

Figuur 2: Totale organische koolstof (TOC) in de bodem (0-30 cm diepte) in de periode 2008-2025.

In een proef waar een grove fractie compost en houtsnippers slechts om de 3 à 4 jaar werden ingewerkt bij laanbomen, werden weinig verschillen gemeten, vermoedelijk door de lage frequentie van organische aanvoer.

Ook bij een langetermijnproef met bosgoed, waarbij tweejaarlijks compost of houtsnippers werden ingewerkt, is de stijging minder constant. In 2023 zagen we hier nog een TOC-toename van 30% bij de objecten met de hoogste dosis aan compost t.o.v. de meting in 2012. De stijging bedroeg in 2025 nog maar 15%. Dit toont aan dat de TOC-metingen van jaar tot jaar sterk kunnen verschillen. Mogelijks werkt de frequente bodemverstoring van aanplant, schoffelen, rooien en diepwoelen als een vertragende factor in de koolstofopbouw. Ook de lagere frequentie aan gebruik van groenbemesters wegens de lange teeltduur t.o.v. akkerbouwteelten verklaart waarom koolstof in boomkwekerijen minder vlot wordt opgebouwd. Deze proeven worden in de toekomst verder opgevolgd.

 

Bodemleven

Na twee jaar werd in drie proeven het bodemleven geanalyseerd. Algemeen werden bij alle objecten met groencompost of houtsnippers meer biomarkers voor micro-organismen (PLFA’s) gevonden. Hoewel door beperkte herhalingen geen statistische toetsing mogelijk was, scoorden objecten met bodemverbeterende middelen consequent beter op totaal aantal biomarkers, schimmel-bacterieverhouding, actinomyceten en mycorrhiza. Dit wijst op een actiever bodemecosysteem, dat complex organisch materiaal kan afbreken, symbioses kan aangaan en minder stress vertoont. De resultaten tonen dat bodemleven al na enkele toepassingen positief reageert op organisch materiaal.

 

     
 

Conclusie

Ook al stijgt de koolstofopbouw in boomkwekerijen minder snel dan in akkerbouw, het inzetten van groencompost en houtsnippers loont. Ze verbeteren de plantkwaliteit, stimuleren het bodemleven en houden het koolstofgehalte op peil. Waarom de opbouw trager gaat en hoe we die kunnen versnellen, vraagt verder onderzoek.

 
     

 

Meer info

Emma Lanoo

 

Dit artikel kadert in het demonstratieproject ‘OSBOBO: Organische Stof in BOomkwekerijBOdems’.

 

 

Vorig Artikel Nieuwe Code van Goede Praktijk voor vul- en spoelplaatsen

Comments are only visible to subscribers.